Wanneer schreeuwt het bewijs om een verklaring?

Wanneer je door de politie of de rechter gehoord wordt als verdachte, heb je volgens art. 29 Sv het recht om te zwijgen. Het zwijgrecht is één van de belangrijkste rechten die een verdachte heeft. Het zwijgrecht vloeit voort uit het nemo-teneturbeginsel dat omschreven wordt in art. 6 EVRM. Het nemo-teneturbeginsel komt er kort gezegd op neer dat niemand gehouden is om mee te werken aan zijn of haar eigen veroordeling. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de zaken Funke, John Murray en Saunders nader toelichting gegeven aan het nemo-teneturbeginsel.

Onder omstandigheden kan het zwijgen van verdachten een niet langer houdbare positie worden. Dit komt voor wanneer de feiten en omstandigheden zodanig wijzen op betrokkenheid van een verdachte bij het tenlastegelegde feit, dat enige verklaring, in welke vorm dan ook, van de verdachte verlangd mag worden. Indien de feiten en omstandigheden schreeuwen om een verklaring, kan het in sommige gevallen verstandig zijn om wel een verklaring te geven. Een beroep op het zwijgrecht heeft in dat geval geen nut en kan ook in je nadeel werken. De rechter kan namelijk geïrriteerd worden en dat kun je terugzien in de strafmaat. Ook zou je veroordeeld kunnen worden voor een groter aandeel in het strafbare feit dan je eigenlijk gehad hebt. Je zou bijvoorbeeld veroordeeld kunnen worden voor medeplegen i.p.v. medeplichtigheid.

De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het ontbreken van deze verklaring vormt dan niet meer dan de laatste schakel in de ketting van de bewijsredenering. Het ontbreken van een dergelijke toelichting draagt in een dergelijk geval voornamelijk bij aan de overtuigingskracht van het bewijsmateriaal dat reeds beschikbaar is.

Hieronder staat voor een aantal bijzondere delicten een overzicht met uitspraken waarin het bewijs om een verklaring schreeuwt. In deze uitspraken is er dus sprake van feiten en omstandigheden waarbij een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring van de verdachte verwacht wordt. Dit houdt in dat er verwacht wordt van de verdachte dat hij of zij een verklaring geeft die betrouwbaar is en een geloofwaardig alternatief vormt voor de bewijsmiddelen die bij het delict zijn aangetroffen. Onder elk overzicht is toegelicht waarom het bewijs bij dit delict om een verklaring schreeuwt. Ook wordt er toegelicht wanneer er in deze uitspraken (mogelijk) sprake zou zijn van bewijs dat niet om een verklaring schreeuwt. Er is gebruik gemaakt van relatief recente rechtspraak van de rechtbanken en gerechtshoven omdat zij hun bewijsconstructie toelichten.

Wet Wapens en Munitie

 

DatumInstantieECLIDelict en omstandigheden
09-09-2019GHECLI:NL:GHAMS:2019:3279

Wapenbezit

Aangehouden in auto met vuurwapen, verdachte was erg zenuwachtig, DNA op vuurwapen aangetroffen.

01-12-2020RBECLI:NL:RBROT:2020:10972

Medeplegen voorhanden hebben van vuurwapen

In auto aangehouden met vuurwapen, DNA van verdachte op vuurwapen.

12-04-2019GHECLI:NL:GHAMS:2019:1481

Voorhanden hebben wapen

Aangehouden in auto met vuurwapen, DNA op vuurwapen.

 

In de onderzoeksperiode zijn er drie uitspraken die zien op het voorhanden hebben van een vuurwapen. Voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen moet bewezen worden dat het (vuur)wapen zich in de beschikkingsmacht van de verdachte bevond. In de onderhavige zaken komt het feitencomplex in alle drie de gevallen overeen. De verdachten zijn allemaal aangehouden in een auto waarin ook het vuurwapen is aangetroffen. Daarnaast zat in alle drie de gevallen een DNA-spoor van de verdachten op het vuurwapen. Onder deze omstandigheden schreeuwt het bewijs volgens de rechters om een verklaring. Mogelijk is slechts één van deze bewijsmiddelen dus onvoldoende om te zeggen dat het bewijs om een verklaring schreeuwt. Te denken valt bijvoorbeeld om de situatie dat er geen DNA van de verdachte wordt gevonden op het vuurwapen. Mogelijk dat er dan misschien geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring nodig is. In zo een geval kan niet per se gezegd worden dat het wapen zich in de beschikkingsmacht van de verdachte zou hebben bevonden.

Heling

DatumInstantieECLIDelict en omstandigheden
16-11-2020GHECLI:NL:GHAMS:2020:3754

Medeplegen opzetheling auto

Uit misdrijf afkomstige auto, verdachte was bijrijder, opvallend rijgedrag om te ontkomen aan politie en gaf daar geen verklaring voor.

20-03-2019GHECLI:NL:GHAMS:2019:957

Opzetheling scooter

Uit misdrijf afkomstige scooter (melding inbraak), bestuurder rende weg, verstopte in bosjes en gaf daar geen verklaring voor.

15-08-2019GHECLI:NL:GHAMS:2019:3032

Opzetheling

Uit misdrijf afkomstige auto, auto geparkeerd voor deur van verdachte, DNA op versnellingspook en gaf daar geen verklaring voor.

Naast de uitspraken die zien op het voorhanden hebben van een wapen, zijn er drie uitspraken over heling in het onderzoek opgenomen. Bij heling is er altijd sprake van een uit misdrijf afkomstig goed dat zich binnen de beschikkingsmacht van de verdachte bevindt. Daarbij dient de verdachte te weten of redelijkerwijs te vermoeden dat dit goed een criminele oorsprong heeft. In deze zaken heeft de bijzondere bewijsconstructie telkens betrekking op de wetenschap van de criminele herkomst van de goederen. Daarbij betrekt het hof in ECLI:NL:GHAMS:2020:3754 dat de verdachte kennelijk geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de gestolen auto die opvallend vluchtgedrag vertoonde. In ECLI:NL:GHAMS:2019:957 betrok het hof eveneens het opvallende vluchtgedrag van de verdachte terwijl deze geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn ‘zeer opvallende gedrag’ in de nabijheid van de gestolen scooter. Tot slot betrekt het hof in ECLI:NL:GHAMS:2019:3032 dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor een geparkeerde auto voor zijn deur die gestolen was en waarin zijn DNA werd aangetroffen, terwijl ook de gestolen kentekenplaat in een door hem gehuurde garagebox is aangetroffen. Mogelijk is alleen de aanwezigheid van het gestolen goederen in de nabijheid van de verdachte onvoldoende om te kunnen zeggen dat het bewijs om een verklaring schreeuwt. Er moet dus een bijkomstige omstandigheid zijn. Bijvoorbeeld vluchtgedrag of DNA-sporen waaruit de mogelijke betrokkenheid van de verdachte blijkt. Soms kan het wel verstandig zijn om een verklaring af te leggen. Bijvoorbeeld bij een subsidiaire tenlastelegging voor diefstal en heling. Het afleggen van een verklaring kan dan resulteren in een veroordeling voor heling i.p.v. diefstal. Volgens de richtlijnen liggen er lagere straffen op heling.

Opiumwet

18-09-2020GHECLI:NL:GHARL:2020:7427

Medeplegen art. 3 onder b Opiumwet

Hennepkwekerij in loods, verdachte eigenaar, DNA aangetroffen op flesje en sigaret, verdachte wordt dagelijks bij loods gezien, geen verklaring voor DNA en aanwezigheid.

16-09-2019GHECLI:NL:GHSHE:2019:4869

Medeplegen art. 2 onder d Opiumwet

Amfetaminelab in woning, DNA-sporen op productievoorwerpen, huurauto van verdachte stond bij woning geparkeerd, paspoort bij medeverdachte aangetroffen, geen verklaring voor DNA, auto en paspoort in nabijheid van drugslab.

06-02-2020RBECLI:NL:RBROT:2020:13048

Medeplegen invoer van cocaïne

Verdachte vroeg aan medeverdachte om container op te halen voor €30.000, container zonder toestemming ingeklaard, container bevatte (drugs)pakketjes, verdachte heeft vrachtwagen geregeld voor vervoer, containernummer en pincode aan medeverdachte gegeven, veelvuldig contact met medeverdachte, geen verklaring voor wetenschap.

Ook zijn er drie uitspraken die zien op de Opiumwet opgenomen in het onderzoek. Twee uitspraken hebben betrekking op de betrokkenheid van de verdachte bij de productie van respectievelijk hennep en amfetamine en een uitspraak heeft betrekking op de invoer van cocaïne. In ECLI:NL:GHARL:2020:7427 is de verdachte eigenaar van een loods waarin een hennepkwekerij is gevestigd. Verdachte wordt dagelijks in de buurt van de loods gezien en zou door de verbalisanten ook in de loods zijn gezien. Daarnaast is DNA van de verdachte op een waterflesje en een sigaret in de loods aangetroffen. De verdachte verklaart dat hij geen wetenschap had van de hennepkwekerij, maar heeft verder geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op voorwerpen in de loods en het feit dat regelmatig in de buurt van de loods gezien is. Het hof neemt daarom aan dat de verdachte wel wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij en dat dus sprake is van medeplegen. In ECLI:NL:GHSHE:2019:4869 is er door de politie een amfetaminelab aangetroffen in een woning. Een huurauto die door de verdachte gehuurd wordt staat achter de woning geparkeerd. Ook wordt het DNA van verdachte aangetroffen op diverse voorwerpen bestemd voor de productie van amfetamine. Tot slot wordt het paspoort van verdachte aangetroffen bij een medeverdachte. Ook hier heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op voorwerpen in de woning en het feit dat een huurauto op zijn naam bij de woning stond en zijn paspoort in bezit was van een medeverdachte. Het hof neemt daarom aan dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen.

In ECLI:NL:RBROT:2020:13048 is er sprake van medeplegen van invoer van cocaïne. In deze zaak vroeg de verdachte aan de medeverdachte om een container op te halen voor €30.000,-. Deze container was zonder toestemming ingeklaard. De verdachte had ook een vrachtwagen geregeld voor het vervoeren van de container. De container bevatte pakketjes die leken op drugspakketjes. De verdachte had veel contact met de medeverdachte en had ook het containernummer en de pincode verstrekt aan medeverdachte. De verdachte had geen verklaring voor de nauwe betrokkenheid bij het transport van de container. Omdat de verdachte een sturende rol heeft gehad en geen verklaring had voor zijn betrokkenheid bij de container waar cocaïne in zat, nam het hof aan dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dus medeplegen van de invoer van cocaïne.

Wat opvalt bij deze Opiumwetzaken is dat er veel (indirect) bewijs voorhanden is waaruit de betrokkenheid van de verdachte blijkt. In ECLI:NL:RBROT:2020:13048 is de sturende rol zo groot dat aan het zwijgen van de verdachte nauwelijks betekenis lijkt toe te komen. Ook in ECLI:NL:GHARL:2020:7427 lijkt de betrokkenheid van de verdachte wel voldoende te blijken uit de bewijsmiddelen. Alleen in ECLI:NL:GHSHE:2019:4869 lijkt de ondergrens in beeld te komen doordat alleen het DNA-bewijs de verdachte rechtstreeks aan het delict linkt. Juist in dit geval komt er daarom wellicht betekenis toe aan het ontbreken van een aannemelijke, de redengevendheid van het bewijs ontzenuwende, verklaring van de verdachte. Tenslotte is alleen DNA-bewijs onvoldoende voor een veroordeling. Ook de geparkeerde auto en de aanwezigheid van het paspoort zouden normaliter onvoldoende zijn om bij te dragen aan het bewijs, maar zij fungeren hier als steunbewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het delict. Juist deze combinatie zorgt ervoor dat het bewijs wel om een verklaring lijkt te schreeuwen.

Diefstal en inbraak

DatumInstantieECLIDelict en omstandigheden
05-02-2019GHECLI:NL:GHAMS:2019:267

Medeplegen woninginbraak

Sprake van inbraak, getuige heeft 2 personen zien weglopen, 3 personen aangehouden, verdachte zat in bosjes met medeverdachte en gaf daar geen verklaring voor.

02-07-2019GHECLI:NL:GHAMS:2019:2464

Medeplegen winkeldiefstal

Gestolen goederen gevonden in auto, goederen ontbraken uit de winkelvoorraad, getuigenverklaringen, geen verklaring voor herkomst goederen in auto.

27-07-2018RBECLI:NL:RBAMS:2018:6601

Medeplegen diefstal met braak

Melding van inbraak, sleutelbos gestolen, getuige heeft mensen zien rennen, braaksporen, verdachte aangehouden in boom en had daar geen verklaring voor.

31-08-2017RBECLI:NL:RBAMS:2017:6937

Medeplegen diefstal

Goederen gestolen, getuigenverklaring, verbalisant verklaart dat hij de verdachte “hoogstwaarschijnlijk” heeft gezien, geen verklaring voor zijn aanwezigheid in de nabijheid van de plaats delict.

02-09-2019GHECLI:NL:GHARL:2019:7154

Medeplegen diefstal

Melding diefstal, sporen van braak, getuigenverklaring, goederen gestolen, goederen aangetroffen in auto, geen verklaring voor aanwezigheid in auto en herkomst goederen.

14-01-2020RBECLI:NL:RBMNE:2020:86

Medeplegen gewapende overval

Sprake van overval, camerabeelden, gestolen goederen aangetroffen bij huiszoeking, telefoonaftapping, geen verklaring voor gesprekken met medeverdachte.

19-09-2019GHECLI:NL:GHARL:2019:7580

Medeplegen Woninginbraak

Meerdere inbraken gepleegd, goederen weggehaald, zorgpas en hand- en voetafdrukken verdachte gevonden op plaats delict, telefoonaftapping, geen verklaring voor gesprekken.

 

Tot slot maken er zeven uitspraken die zien op andere vermogensdelicten deel uit van het onderzoek. Dit zijn de uitspraken over diefstal (met braak). Uit het onderzoek blijkt dat de rechter bij vermogensdelicten vaak gebruik maakt van de bewijsconstructie dat het bewijs om een verklaring schreeuwt. Alle uitspraken zien verder op het medeplegen van het vermogensdelict. In ECLI:NL:GHAMS:2019:267, ECLI:NL:RBAMS:2018:6601 en ECLI:NL:RBAMS:2017:6937 was er sprake van inbraak en/of diefstal. Ook was er in alle drie de zaken sprake van getuigenverklaringen. Naast de getuigenverklaringen, waren de verdachten in alle drie de zaken kort na het plegen van het delict aangehouden.  Wat deze drie zaken in het bijzonder op elkaar doet lijken, is het feit dat de verdachten geen verklaring gaven voor hun aanwezigheid op een bepaalde plek. In de ene zaak zat de verdachte in de bosjes. In de andere zaak zat de verdachte in een boom en in de laatste zaak had de verdachte geen verklaring voor zijn aanwezigheid in nabijheid van het plaats delict. Nadat er vast staat dat er sprake is van diefstal, komt de rechter tot de vraag of er sprake is van medeplegen. De aanwezigheid van de verdachten op een bepaalde plek nabij de plaats delict schreeuwde in deze zaken om een verklaring. Mogelijk zijn de bewijsmiddelen zonder het feit dat de verdachte zich bevond op een bepaalde plek nabij de plaats delict onvoldoende om te concluderen dat de omstandigheden en de feiten om een verklaring schreeuwen.

In de zaken ECLI:NL:GHAMS:2019:2464 en ECLI:NL:GHARL:2019:7154 was er net als in de vorige zaken sprake van getuigenverklaringen, meldingen van inbraak en/of diefstal en goederen die gestolen waren. Naast deze bewijsmiddelen werden de goederen in beide zaken aangetroffen in de auto waar de verdachte zich in bevond of heeft bevonden. In deze zaken hadden de verdachten geen verklaring voor de herkomst van de goederen in de auto. In combinatie met de overige bewijsmiddelen oordeelde het hof dat deze omstandigheden om een verklaring schreeuwde. Indien de goederen niet kort na en in de buurt van de diefstal waren aangetroffen in de auto van de verdachte, was er hoogstwaarschijnlijk geen sprake van feiten en omstandigheden die schreeuwen om een verklaring van de verdachte.

Tot slot was er in de zaken ECLI:NL:RBMNE:2020:86 en ECLI:NL:GHARL:2019:7580 sprake van een overval met diefstal en een inbraak met diefstal. Vast staat wederom dat er een diefstal is gepleegd. Alleen de vraag of verdachte hierbij betrokken is (deze medegepleegd heeft) staat ter discussie. De bewijsconstructie wordt dus wederom voornamelijk betrokken om het medeplegen bewezen te verklaren. Van de onschuldige verdachte of de medeplichtige mag tenslotte verwacht worden dat hij een verklaring aflegt waarom zijn bijdrage niet gelijk te stellen is aan medeplegen. In beide zaken was er een melding van gestolen goederen. Verder was er in de ene zaak sprake van camerabeelden en in de andere zaak een aangetroffen zorgpas met daarnaast hand- en voetafdrukken. Dit leidde in beide zaken tot het aftappen van de telefoon van de verdachte. In allebei de zaken werden telefoongesprekken gevonden met een medeverdachte. De telefoongesprekken in combinatie met het overige bewijs schreeuwden dus om een verklaring. Zonder de telefoongesprekken zouden de bewijsmiddelen hoogstwaarschijnlijk niet om een verklaring schreeuwen. In ECLI:NL:RBMNE:2020:86 waren er bovendien veel bewijsmiddelen die normaal eerder met medeplichtigheid in verband worden gebracht. In deze zaak lijkt de rechtbank juist medeplegen aan te nemen vanwege het uitblijven van een verklaring.

Naast de uitspraken van de rechtbank en het hof, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323 het volgende overwogen: “In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.” Hieruit blijkt nogmaals dat de verklaring van de verdachte van belang is wanneer hij kort na het delict wordt aangetroffen in omstandigheden zoals het zich bevinden op een bepaalde plek, aangetroffen worden in de auto met gestolen goederen of telefoongesprekken waaruit blijkt dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Indien er een verklaring van de verdachte verwacht wordt, heeft het dus wel degelijk nut om te verklaren. Hij kan namelijk laten merken dat hij medeplichtig is. Hij zal dan een lagere straf krijgen dan wanneer medeplegen bewezen wordt. Van medeplichtigheid is bijvoorbeeld sprake als de verdachte alleen op de uitkijk staat of helpt bij de vlucht. In beide gevallen zal hij dan ook aanwezig zijn in de buurt van de plaats delict of bij de overige verdachten.

Voor het medeplegen van diefstal heeft de advocaat-generaal in ECLI:NL:PHR:2019:165 het volgende opgenomen: “Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang … Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben.” Het aantreffen van gestolen goederen vraagt vooral om een verklaring, omdat daaruit niet per se diefstal blijkt, maar ook heling. In de casus is heling minder aannemelijk omdat ook inbrekersgereedschap bij de verdachte is aangetroffen.

 

< Terug naar Informatie verhoor politie
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden