Voorlopige hechtenis

Niet iedere verdachte mag ook in voorlopige hechtenis worden genomen. Of voorlopige hechtenis is toegestaan is afhankelijk van het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd, of er voldoende verdenking tegen hem bestaat en of er ook redenen zijn om hem/haar langer in voorarrest te houden. Het moet gaan om een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. In de artikelen 63 e.v. Wetboek van Strafvordering staat precies beschreven in welke gevallen voorlopige hechtenis is toegestaan.

Gevallen voorlopige hechtenis

De wet noemt in artikel 67 Sv. de feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten:

  • Alle feiten waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaar of meer is gesteld
  • De in artikel 67 sub b genoemde feiten: 
    - verspreiden opruiend geschrift (132 Sr)
    - bedreiging (285 lid 1 Sr)
    - belaging (285 lid 2 Sr)
    - afdreiging (318 Sr)
    - verduistering (321 Sr)
    - misbruik van EG-subsidie (323a Sr)
    - oplichting (326 Sr)
    - flessentrekkerij (326a Sr)
    - listiglijk gebruik communicatie (326c Sr)
    - insurbornatie (395 Sr)
    - schuldheling (417bis Sr)
    - schuldwitwassen (420quater Sr)
  • De in artikel 67 sub c Sv. genoemde feiten:
    - dood c.q.zwaar lichamelijk letstel bij rijden onder invloed (175 lid 2 WVW)
    - artikel 30 lid 2 Wet Buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag
    - zonder vergunning exploiteren speelautomaten (31 Wet op de kansspelen)
    - opzettelijk verkopen, afleveren, voorhanden hebben en vervaardigen verboden middelen (11 lid 2 Opiumwet)
    - overdracht van wapens en munitie (55 lid 2 WWM)
    - misbruik van voorwetenschap (46 Wet toezicht effectenverkeer)
  • Wanneer de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en een feit heeft gepleegd waarop een gevangenisstraf is gesteld

Ernstige bezwaren bij voorlopige hechtenis

Voorwaarde om iemand in voorlopige hechtenis te plaatsen is dat er voldoende verdenking bestaat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit waarvan hij verdacht wordt. De verdenking moet meer zijn dan enkel een redelijk vermoeden van schuld (een lichte verdenking), maar echt veel meer verdenking hoeft er niet te bestaan. Pas bij de latere behandeling van de strafzaak geldt de eis dat er sprake moet zijn van wettig en overtuigend bewijs, maar in de fase van de voorlopige hechtenis is het voldoende dat er (iets) meer dan een lichte verdenking van betrokkenheid bestaat. 

Gronden voorlopige hechtenis

Om voorlopige hechtenis te kunnen toepassen moeten er ook gronden bestaan. De gronden voor voorlopige hechtenis zijn de redenen om iemand vast te kunnen zetten. De wet geeft een limitatieve opsomming van de redenen om voorlopige hechtenis te kunnen toepassen:

• Ernstig gevaar voor vlucht
• Feit waarop 12 jaar of meer maximum gevangenisstraf is gesteld en het tot maatschappelijke onrust zou leiden wanneer de verdachte in vrijheid zou worden gesteld
• Gevaar voor herhaling van een feit waarop 6 jaar of meer maximum gevangenisstraf staat, of een feit waardoor de gezondheid of veiligheid in gevaar kan worden gebracht of algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan
• Eerdere veroordeling van minder dan 5 jaar geleden voor bedreiging, mishandeling, diefstal, verduistering, oplichting, vernieling, of heling
• Onderzoek dat de politie nog moet verrichten, dat mogelijk bij invrijheidstelling van de verdachte zou kunnen worden gefrustreerd of belemmerd

Iemand mag dus niet zomaar in voorlopige hechtenis worden gehouden. Het moet ofwel om ernstige feiten gaan, ofwel kan iemand worden vastgehouden omdat hij vaker soortgelijke feiten heeft gepleegd, of althans op basis van andere factoren (o.a. psychische gesteldheid) er een kans bestaat dat het feit opnieuw wordt gepleegd, of er bestaat een risico op belemmering of frustering van het onderzoek (bijv. door contact met getuigen).

> Meer informatie gronden voorlopige hechtenis

Schorsing voorlopige hechtenis

Voorlopige hechtenis geldt als ultimum remedium, oftewel het uiterste redmiddel. Uitgangspunt is dat een verdachte in vrijheid blijft totdat hij onherroepelijk door de rechter is veroordeeld. Dit uitgangspunt volgt ook uit verschillende uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM):

• EHRM, 24 juli 2003, Appl. Nr. 46133/99 en 48184/99 (Smirnova tegen Rusland)
Het hof formuleert in dit arrest een aantal uitgangspunten voor de praktijk;
“(58) Een verdachte die voor een strafbaar feit is aangehouden moet worden losgelaten, tenzij de Staat aannemelijk maakt dat er relevante en voldoende redenen zijn om de vrijheidsbeneming te continueren.”
• EHRM 28 juli 2005, Appl. Nr. 72112/01 (CZarnecki tegen Polen)
Als gerechtvaardigde processuele belangen echter te zeer in gevaar komen door invrijheidstelling, kan de rechter alternatieven voor voorarrest overwegen (borgsom, meldingsplicht, ET, etc.).
Uit artikel 5 eerste lid, sub c jo artikel 5 derde lid EVRM vloeit de verplichting voort dat staten in individuele strafzaken steeds zelfstandig gehouden zijn alternatieve maatregelen voor preventieve hechtenis te overwegen en daarvoor te kiezen indien de toepassing daarvan in voldoende mate tegemoet komt aan hetgeen men anders met detentie beoogt te waarborgen (zie ook over dit subsidiariteitsvereiste EHRM 22 december 2000, Appl. 33492, Jablonski tegen Polen).
• EHRM 8 april 2004, Appl. 44062/98 (Hamanov tegen Bulgarije) en EHRM 26 juli 2001, Appl. 33977/96 (Ilijkov tegen Bulgarije).
Het is de Staat die telkens moet aantonen dat met minder dan de vrijheidsbeneming niet valt te volstaan. De verdachte hoeft dus niet aannemelijk te maken dat vrijheidsbeneming ongerechtvaardigd en onnodig is.
• EHRM 26 april 2005, Appl. 49929/99 (Chodecki tegen Polen)
Aan de motivering van de vrijheidsbeneming mogen eisen worden gesteld. Steeds zal moeten worden aangegeven waarom de vrijheidsbeneming noodzakelijk is en waarom niet kan worden volstaan met het alternatief van vrijheidsbeperking

Op grond van de persoonlijke omstandigheden van een verdachte kan de voorlopige hechtenis worden geschorst. Hierbij vindt steeds een afweging plaats tussen het belang van de maatschappij bij voortduring van de voorlopige hechtenis en het belang van de verdachte bij invrijheidstelling. Redenen voor toepassing van voorlopige hechtenis kunnen zijn:

  • Werk
  • School/opleiding
  • Betaling hypotheek/huur woning
  • Stopzetting uitkering bij voortduring voorarrest
  • Begeleidingstraject wordt verstoord bij voortduring voorarrest
  • Zorg voor kinderen 

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen voorwaarden worden verbonden zoals:

  • Begeleiding reclassering
  • Medewerking psychologisch/psychiatrisch onderzoek
  • Straat- en contactverbod met aangeefster
  • Inleveren paspoort
  • Betaling borgsom/zekerheidstelling
  • Elektronische detentie
Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden